Wat is dat toch met mannen in leasebakken die een sport van maken om andere mannen uit te lachen? Ik zie het regelmatig gebeuren, en snap er waarachtig geen drol van. Wat voor oerdrift of anderszins psychologische verklaring kan hieraan ten grondslag liggen? Ik herken die behoefte zelf namelijk helemaal niet, behalve dat ik dan weer moet lachen om mannen die om andere mannen lachen.

Wellicht dat een korte theoretische bespiegeling kan helpen om wat licht te scheppen in de zaak. Het eerste dat me te binnen schiet is een theorie over de relativiteit van geluksbeleving. Deze stelt dat mensen hun welstand niet als een zaak op zich beschouwen, maar dat vooral de vergelijking met mensen om zich heen hun welzijn bepaalt. Vanuit dat oogpunt valt te begrijpen dat iemand z’n gloednieuwe Volvo met trots afzet tegen mijn roestbak, maar ook dat dezelfde Volvo-rijder zich de schlemiel van de buurt waant als zijn buren Mercedes, Audi of Jaguar rijden.

Maar uitlachen, dat ontspruit toch vooral uit competitiviteit, of haantjesgedrag. Ononderdrukte oerdriften, die je mijns inziens niet moet negeren, maar toch zeker wel relativeren! Althans, als de betreffende enig belang hecht aan beschaving. Want wie weet ligt de ander zijn passie wel in traktorrijden over zijn landgoed, wordt diens werk bewonderd door de gehele Neerlandse literaire elite, is het een succesvol ondernemer die zijn voldoening haalt uit het starten van projecten in Roemeense achterstandswijken, of gewoon een tevreden huisvader. Zoveel zaken waar een mens genoegdoening uit kan halen. Het feit dat iemand dat soort zaken bij anderen over het hoofd ziet, doet mij vermoeden dat de betreffende is vergeten voor zichzelf af te vragen waar hij het allemaal voor doet… Een zaak van pure geestelijke armoede.

Dit zijn niet de woorden van een gefrustreerde loser, die zichzelf voor de gek houdt dat hij niet gevoelig is voor mooie dingen. Integendeel, sinds ik van mijn baas een leaseauto mag uitzoeken vind ik dat, na een kort moment van identiteitsconflict, maar al te leuk. En ik herken zelfs de neiging om dit mee te nemen in de manier waarop je tegen anderen aankijkt. Maar in the end…. overeind blijft dat het niet meer is dan speelgoed, en mijn geluksbeleving gelukkig een veel bredere basis kent. Dus ik blijf vriendelijk teruglachen.

Wat te denken geeft…. Bezondig ik me nu niet aan hetzelfde gedrag door morele superioriteit te claimen?